Vereniging Huurdersorganisatie Vulcanus

Warmteplan Delft

Huurdersorganisatie Vulcanus is op 1 oktober door de gemeente Delft gevraagd om deel te nemen aan de 'klankbordgroep Warmteplan Delft 2021'.

De gemeente heeft aan het adviesbureau CE Delft de opdracht gegeven om het warmteplan (dat officieel een transitievisie warmte heet) voor Delft te ontwikkelen. Dat gebeurt in overleg met veel verschillende partijen waarvan de gemeente input nodig heeft om een warmteplan te kunnen maken. Die partijen zijn:

  • organisaties binnen de gemeente die beroepsmatig betrokken zijn bij de energietransitie;
  • georganiseerde inwoners, ondernemers en organisaties die niet beroepsmatig betrokken zijn, maar uiteraard wel te maken gaan krijgen met de energietransitie;
  • en de niet georganiseerde inwoners, ondernemers en organisaties voor wie datzelfde geldt.

Met de eerste groep van partijen richt de gemeente een projectgroep op. Doel van deze groep is om inhoudelijke input te leveren voor het warmteplan vanuit hun professionele betrokkenheid bij het onderwerp energietransitie.

Voor de tweede groep waar ook Vulcanus volgens de gemeente bij hoort wordt een klankbordgroep opgericht.  Doel van de klankbordgroep is om vanuit de inwoners, ondernemers en organisaties gericht input te leveren voor de inhoud van het warmteplan Ún mee te denken over de manieren waarop gecommuniceerd wordt. Let wel input leveren bij een klankbordgroep is iets anders dan meebeslissen. Beslissingen nemen over het te ontwikkelen Warmteplan Delft en het plan vaststellen doet de gemeenteraad op aangeven van het College van Burgermeester en Wethouders.

De Delftse gemeentepolitiek richt zich de laatste jaren erg op het aardgasvrij maken van de gemeente en loopt daarmee braaf in de landelijke pas. Daarbij is uit het oog verloren dat de eigenlijke doelstelling klimaat-/milieubescherming via het verminderen van CO2-uitstoot is. Dat probleem bestaat uit twee opgaven:

Als het energieverbruik van gebouwen wordt verlaagt door de hoeveelheid energie die nodig is voor verwarmen te verminderen (beter isoleren en goed of beter bemeteren en afrekenen) gaat de CO2 uitstoot in de Nederlandse praktijk ook mee naar beneden, zonder de energievoorziening te wijzigen. Opmerkelijk is dat een moderne aardgas gestookte energievoorziening in menig (groot) EU land inmiddels als een CO2 arme energievoorziening wordt gezien die bijdraagt aan het tweede punt. De Europese Commissie denkt sinds 2020 zelfs serieus na om in Europa de bouw van dergelijke gascentrales te gaan aanmoedigen. Dat en ander nog in ontwikkeling zijnde en vast te stellen wet- en regelgeving kunnen de komende jaren een streep door het tot nu toe verkozen Nederlandse van het gas af denken en beleid gaan halen.

Stand van zaken
De 2.294.219 huurwoningen van woningcorporaties (stand 2020) moeten in 2050 CO2-neutraal en aardgasvrij zijn. Dit is niet alleen een opdracht vanuit de landelijke politiek, het is ook een gigantische opgave. Voor corporaties betekent het dat ze voor al hun woningen moeten bedenken hoe ze die gaan verduurzamen. In en rond elk van die woningen moeten daarvoor bouwvakkers aan de slag. En alle huurders moeten eerst worden ge´nformeerd en overtuigd van de voordelen. Dat informeren en de kar voor de buurten gaan trekken mogen vooral de gemeentes gaan doen.

De gemeente en de woningcorporaties zijn al de nodige jaren aan de gang met het Open Warmtenet Delft. De eerste samenwerkingsovereenkomst daarover werd in 2019 afgesloten. Zij streven in 2026 pakweg 5.000 woningen, waarvan 2.000 van DUWO, op te hebben aangesloten. Bij renovatie/groot onderhoud wordt erop gelet dat de woningen aardgasvrij klaar worden gemaakt, door ze minimaal naar een B of C energielabel te brengen. Een A+ label is nodig om met een woning in de toekomst ‘all electric’ te kunnen gaan. Ook wil de gemeente op 40% van de daarvoor geschikte daken zonnepanelen gelegd zien. De gemeente begrijpt dat het aardgasvrij maken van bestaande woningen niet kosten/woonlasten neutraal is. Het brengen van woningen vanaf een C energielabel naar een hoger label brengen is volgens het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) in de regel niet rendabel. Dat maakt het energieneutraal maken van woningen vanuit zakelijk oogpunt lastig. Dat weten de woningcorporaties ook, maar ook dat ze die richting door de overheid op gedirigeerd worden. DUWO staat niet vrijwillig te trappelen om zonder verdienmogelijkheid (dus verliesgevend) in het aardgasvrij maken van het merendeel van haar bestaande woningen in Delft te investeren. Dan hebben we het nog niet eens gehad over de bijzondere problemen waar DUWO wegens DUWO’s zelfverkozen studentenhuisvestingsniche met veel kleine woningen mee te maken heeft en een tekort aan gekwalificeerd personeel voor deze klus. Niettemin is DUWO financieel slagkrachtig genoeg om goed aan de energietransitie bij te kunnen dragen en heeft DUWO aangegeven voor 2029 ‘iets’ te gaan doen met de flats aan de CÚsar Franckstraat en Lisztstraat (Buitenhof) en Voorhof Oost en diverse studentenwoningcomplexen. Dat is niets te vroeg, want in Delft zijn de wijken Voorhof, Buitenhof en de Kuyperwijk de eerste gebieden met bestaande (huur)woningen die van het aardgas afgaan. Naar verwachting van de gemeente zijn deze gebieden in 2030 aardgasvrij.

Vanaf energielabel C is er betrekkelijk weinig kans op het ontstaan van energiearmoede. In Delft kunnen 10.100 van de in totaal 59.000 huishoudens met energiearmoede te maken krijgen. Vanaf energielabel E naar G bestaat in toenemende mate kans op het ondervinden van energiearmoede. In Delft woonden in 2020 5.500 van door energiearmoede bedreigde  huishoudens in dergelijke energetisch slechte woningen. Van de Delftse eigenaar-bewoners kan 17% , bij een verduurzamingsinvestering van € 25.000, die investering niet voor hun woning opbrengen. Bij groep eigenaar-bewoners die in voormalige corporatiewoningen wonen valt daarnaast op dat zij vaker dan gemiddeld moeite hebben met het betalen van de energierekening.

Ontwikkeling Warmtenet(ten) in en rond Delft
Het Delftse Open Warmtenet krijgt volgens de plannen water van 75░C vanuit het Delftse geothermie project een aardwarmte reservoir op 2,3 kilometer diepte onder de A13 en (rest)warmte van 70░C of meer uit het Rijmondgebied via een (later) aan te leggen WarmteLinQ pijpleiding. De WarmtelinQ leiding komt door Delft te lopen en op verzoek van de gemeente krijgt Delft een aansluiting voor stedelijk gebruik via het Delftse Open Warmtenet .
De TU Delft heeft in juli 2020 een samenwerkingsovereenkomst getekend met de woningcorporaties Woonbron, Vestia, Vidomes, DUWO, NetVerder (een dochterbedrijf van Stedin) en de gemeente Delft voor de aanleg van een warmtenet waarmee de resterende aardwarmte op 70░C of iets minder de buurten in stroomt. Als de buitentemperatuur onder de 1░C daalt zal moeten worden bijgestookt met aardgas. Dat betekent dat de aangesloten woningen voorlopig niet extra hoeven te worden ge´soleerd en dus geen verlaging van het energieverbruik plaatsvindt. Eigenlijk is dat hoge temperatuur warmtenet bij de aanleg al ouderwets. In de loop van 2021/2022 wil men beginnen leidingen diep in de grond te boren. Men spreekt slechts de verwachting uit dat binnen 15 jaar de dan aangesloten woningen beter moeten worden ge´soleerd, omdat de aanvoertemperatuur in de toekomst gaat worden verlaagd en het aardwarmte reservoir 30 jaar meegaat.
De door WarmtelinQ aan te leveren warmte bestaat voornamelijk uit restwarmte van industrie in de Rotterdamse haven. Die is voorlopig afkomstig uit fossiele bandstoffen en dus niet duurzaam, laat staan CO2 neutraal. De haven moet echter verduurzamen van het Rijk. Daarmee wordt de restwarmte ook duurzamer. Het WarmtelinQ netwerk ligt er voorlopig nog niet, maar de termijn waarop bezwaren konden worden ingediend liep in april 2021 af. Omdat WarmtelinQ een restwarmte leverancier is mag zij maximaal tegen de kostprijs voor energielevering rekenen. De hoofdnet aan- en afvoerleidingen in het WarmtelinQ warmtedistributienet worden volgens de plannen 70 ß 90 cm dik en aan de buitenkant voorzien van 10 cm isolatie. Het water wil men in de beginfase in de winter op ongeveer 120░C het hoofdnetwerk gaan insturen. Voor 2021/2022 staan vooral vergunningsaanvragen voor de aanleg regelen en verkrijgen in de planning. De gemeente verwacht dat de bouw zo’n 2 jaar gaat duren. Vanaf oktober 2024 hoopt WarmtelinQ aan te koppelen aan het Open Warmtenet Delft dat voor de verdeling van warmte in Delft moet gaan zorgen. Een presentatie over WarmtelinQ uit februari 2020 geeft een aardig overzicht van wat in maart 2021 in vele honderden bladzijden vergunningsaanvragen en rapportages op een minder begrijpelijke manier is neergeslagen. Hierin staan voor Delft behoudens het ingraven en deels boren van de hoofdnet leidingen een pompstation genoemd om de druk onderweg richting Den Haag hoog genoeg te houden. Het financieel risico van WarmtelinQ ligt bij de Gasunie. Na de aanleg wil men op termijn de door het WarmtelinQ netwerk geleverde aanvoertemperatuur verlagen om de duurzaamheid van het WarmtelinQ netwerk te kunnen verhogen door andere duurzame warmtebronnen aan te sluiten, zoals aardwarmte. Daarmee wordt WarmtelinQ dan van een derde naar een modern vierde generatie warmtenet gebracht. Een lastige verduurzamingsopgave, omdat volgens onderzoek van de ABM AMRO bank in 2030 fossiele energie voor de industrie 23% goedkoper zal zijn dan het door de overheid nagestreefde CO2 neutrale alternatief voor de industrie; groene waterstof. En het verlagen van de aanvoertemperatuur betekent in de praktijk dat woningen dan over een C of beter energielabel moeten beschikken om dergelijke lagere aanvoertemperaturen aan te kunnen. De gemeente Delft wil gebruik maken van WarmtelinQ om voor 2030 serieus stappen te kunnen zetten met haar Open Warmtenet. Tot 2030 is Delft dus vooral afhankelijk van vieze restwarmte via WarmtelinQ. De verdere uitbouw, verduurzaming en het CO2 neutraal maken van het Delftse Open Warmtenet en het verlagen van de gebruikte aanvoertemperatuur zal dus langer gaan duren. Daarmee stuurt de gemeente richting een verder naar 2050 gelegen verlaging van de energievraag door het beter isoleren van bestaande oudere woningen.
Een aanvoertemperatuur van ongeveer 50░C vanuit een modern warmtenetwerk lijkt best warm, maar werkt niet goed bij het ‘s ochtends en bij thuiskomst opwarmen van matig laat staan slecht ge´soleerde woningen met de bestaande radiatoren. Het duurt dan te lang voor het huis aangenaam warm is of erger niet lukt. Voor warmtapwater is vrijwel altijd een extra systeem nodig om aan de  wettelijke minimale temperatuur van 55░C of 60░C aan het tappunt in de woning te voldoen. Dat gaat vooral op voor kleine(re) woningen, zoals sociale huurwoningen die zelden groter dan 80 vierkante meter zijn.

Generations_of_district_heating_systems_EN.svg

Ontwikkelingen rond kleinschalige oplossingen
Ook kleinerschaligere duurzame oplossingen kennen uitdagingen. Vanaf 1 april 2021 mogen buitenunits van warmtepompen en aircos maximaal 40 decibel dB(A) geluid produceren op de perceelgrens met de buren. Ter verduidelijking: dit geluidsniveau is vergelijkbaar met  vogelgezang bij zonsopkomst en gefluister in een klaslokaal. Deze norm is vastgelegd in het Bouwbesluit en kwam voort uit klachten over (nachtelijke) geluidoverlast van warmtpompen door omwonenden en gezondheidsoverwegingen. Daarnaast nemen dergelijke installaties redelijk wat ruimte in een woning in beslag. Ook is in het ontwerp van bestaande woningen bijna nooit rekening gehouden met het later plaatsen van zo’n installatie.

Landelijke vaak tegenvallende ontwikkelingen
H
Op landelijk niveau is de regering aan het denken over wet- en regelgeving rond collectieve warmtevoorzieningen. De op aardgasprijzen gebaseerde huidige kostenredenaties gaan in de toekomst niet goed werken. Daarom is er een Wet collectieve warmtevoorzieningen in de maak. Hiermee wil het Rijk voor systemen waar meer dan 1.500 kleinverbruikers gebruik van maken haar 4 kerndoelen bevorderen:

  • groei van collectieve warmtesystemen door nieuwe spelregels (marktordening);
  • transparantie in de tariefstelling;
  • het zekerstellen van de verduurzamingen;
  • het aanscherpen van de vereisten voor leveringszekerheid.

In de toekomst zullen warmtesystemen gaan worden verkaveld voor bepaalde tijd (gedacht wordt aan periodes van 20 ß 30 jaar) door gemeentes. De tariefregulering is vooralsnog een hoofdpijn kwestie, omdat (te) weinig bekend is over onderliggende kosten en wat dan voor warmtebedrijven en eindgebruikers redelijke prijzen zijn. Via prestatienormen voor CO2 uitstoot wil de overheid richting 2050 naar een op zijn minst nagenoeg CO2 neutrale warmtelevering. De leveringszekerheid wil het Rijk leggen bij het voor de kavel verantwoordelijke warmtebedrijf. De ACM gaat de bevoegdheid krijgen een tijdelijke ontheffing van deze duurzaamheidsnorm voor de desbetreffende collectieve warmtevoorziening aan het aangewezen warmtebedrijf te verlenen. Deze mogelijkheid wordt voor uitzonderlijke situaties geboden. Uit de investeringsplannen van het betrokken warmtebedrijf moet duidelijk naar voren komen dat uitstel geen afstel is.

De landelijke politiek is ondertussen niet bereid om het wettelijk mogelijk te maken om aardgaslevering naar bestaande woningen stop te kunnen zetten. Banken zijn niet, zoals de regering in 2017 hoopte, bereid gebleken om voor eigenaar-bewoners gunstige gebouwgebonden-leningen aan te bieden voor het verduurzamen van hun bestaande koopwoningen

Nederland heeft over het verminderen van CO2-uitstoot internationaal afspraken gemaakt, niet over het verketteren van aardgas. Met het aardgasvrij maken van bestaande woningen in diverse proeftuin projecten wil het niet vlotten. Aan het eind van de regeerperiode van het kabinet Rutte III in 2020 waren in 27 proefwijken en -dorpen maar 206 huizen van het gas afgesloten volgens een inventarisatie van De Volkskrant. “De techniek, het draagvlak, de kosten: tot dusver valt eigenlijk alles tegen. Zelfs in sommige proeftuinen vraagt men zich inmiddels af: maken we het middel (aardgasvrij) niet belangrijker dan het doel (CO2-uitstoot verminderen)? Toch houden Rijk en gemeenten de moed erin. In 2020 is aan nog eens 19 proeftuinen € 100 miljoen subsidie toegezegd, in 2021 volgt een derde lichting. Daarvoor wordt het streven niet ‘van het  gas af’, maar beter isoleren en andere besparende maatregelen. Voor veel huizen lijkt dat in elk geval voorlopig een reŰler streven”, volgens deze krant.

Start klankbordgroep Warmteplan Delft
De gemeente beschikt in oktober 2020 over uitgangspunten en een startanalyse. Die moet gaan worden verrijkt. Daarna volgt een keuzeproces over bijvoorbeeld in welke volgorde de buurten aan de beurt komen. Voor dergelijke keuzes zoekt de gemeente input vanuit inwoners en partners. Eind 2021 moet de gemeenteraad het Warmteplan hebben vastgesteld.

Op 27 oktober 2020 ging de klankbordgroep van start. Iedere gemeente in Nederland moet voor 2022 een Warmteplan hebben vastgesteld. Delft wil open met de stad over een en ander communiceren en laat zich daarbij ondersteunen door het advies- en onderzoeksbureau CE Delft. Dit bureau ondersteunt ook andere steden bij het uitvoeren deze klus. Beslissingen nemen en warmteplannen vaststellen en in de toekomst bijstellen doet CE Delft niet. Dat wordt aan de gemeente overgelaten. Alle bekende verduurzamingsplannen en -strategieŰn moeten eerst in een beslissingsondersteunend model van CE Delft worden ingebracht. Met zo’n model wordt geanalyseerd wat kansrijke gunstige oplossingen inclusief nationale kosten qua warmteoplossing en isolatieniveau voor alle buurten zijn en in welke volgorde buurten aan de beurt komen.

Onmachtige woningcorporaties
Om de beslissingsondersteunende analyse te kunnen starten moeten de woningcorporaties DUWO, Vidomes, Vestia en Woonbron voor december 2020 informatie over hun verduurzamingsplannen en -strategieŰn voor de komende 10, 20 en 30 jaar bij onderzoeksbureau CE Delft aanleveren. Deze voor corporatiebestuurders vrij voorspelbare informatie uitvraag op vooral tactisch beleidsniveau leidde bij de vertegenwoordigers van de vier corporaties tot opwinding. De corporaties beweerden niet in staat te zijn de gevraagde informatie in 2020 aan te leveren en blijven dat ook sindsdien beweren. Daar was CE Delft, gezien hun ervaringen in andere steden met andere corporaties, teleurgesteld over. Gelukkig beriep het financieel gezonde DUWO zich inzake haar onmacht niet op een ‘we hebben geen geld’ excuus.1 De vooralsnog tentoongespreide onmacht en tekortschietende daadkracht of bereidheid om in het vereiste tempo aan het landelijk jaren geleden door de overheid ingezette verduurzamingsbeleid en -programma bij te dragen, kan in de toekomst voor onvoldoende op dat vlak presterende corporaties wellicht anders gaan uitpakken dan hun huidige bestuurders lief is.

Rekenmodellen bieden geen absolute zekerheden
Natuurlijk hangen ook de beslissingsondersteunende analyses sterk van de precieze onderzoeksvraag, gemaakte aannames, kwaliteit en nauwkeurigheid van gebruikte gevens en keuzes af. Dat geldt ook voor het CEGOIA model dat het bureau CE Delft gebruikt. Naast het CEGOIA model zijn er ook diverse andere beslissingsondersteunende modellen van andere partijen op de markt die door (iets) andere manieren van modelleren tot verschillende uitkomsten leiden. Er is onderzoek naar de verschillen tussen diverse modellen, waaronder CEGOIA,  beschikbaar. Dat onderzoek geeft inzicht in de beperkingen van en verschillen tussen zes op de markt zijnde rekenmodellen.

Eerste fase Warmteplan Delft (startanalyse) afgerond
De eerste fase leverde eind februari 2021 als resultaat een beslisingsondersteunende startanalyse voor Delft op. Die analyse laat uiteraard nog vragen onbeantwoord en robuustheidsanalyses ontbreken. De voor de woonlasten en daarmee voor de kostenneutraliteit en betaalbaarheid belangrijke eindgebruikerskostenanalyse wordt pas op z’n vroegst in mei 2021 verwacht. De gemeente hoopt in een volgende fase met behulp van een reeks criteria, waaraan door politici wegingsfactoren moeten worden toegekend, later in 2021 zo’n 10 Delftse buurten te hebben geselecteerd waar vˇˇr 2030 met isoleren en aardgasvrij maken aan de slag wordt gegaan.
Omdat er nieuwe technische- maar ook financierings- en beheeroplossingen en diensten op de markt kunnen komen en kostprijzen kunnen wijzigen zal het Warmteplan ongeveer om de vijf jaar worden aangepast.

De resultaten van de startanalyse en de daaropvolgende stappen zijn niet zo robuust als menigeen hoopt/wenst. Daarover werd in april 2021 een gevoeligheidsanalyse, welke specifiek op het door de gemeente gekozen CEGOIA model inzoomt, gepubliceerd. Dat is ingewikkelde, maar belangrijke kost op TU Delft niveau over de beperkingen van het werken met modellen. De uitkomst is per saldo betrekkelijk simpel en aan het eind van de volgende voor een gemiddelde lezer lastige lange paragraaf te lezen.

Gevoeligheidsanalyse CEGOIA model
Een in het Engels geschreven CEGOIA-gevoeligheidsanalyse vanuit de TU Delft identificeerde een reeks belangrijke onzekerheden en kwantificeerde hun gevoeligheden die generaliseerbaar zijn naar verschillende contexten en verwarmingssystemen. Hiervoor is een kleine set parameters ge´dentificeerd die de meeste gevoeligheid veroorzaken bij het berekenen van het goedkoopste duurzame alternatieve verwarmingssysteem. Gevoeligheid voor een parameter geeft aan dat veranderingen in de waarde van de parameter veel veranderingen in de totale energiesysteemkosten zullen veroorzaken. Deze parameters zijn specifiek voor elk verwarmingssysteem:

  • Warmtepompen (all electric) zijn voornamelijk gevoelig voor de investeringskosten van de pomp. De prijs van de elektriciteit, de kosten van netverzwaring en het rendement van de pomp zijn veel minder van invloed.
  • Hybride warmtepompen en condensatieketels zijn het meest gevoelig voor de prijs van groen gas en de kosten van de pomp / ketel zelf. Ook aan gasinfrastructuur gerelateerde kosten zijn van invloed. De elektriciteitscomponent van een hybride warmtepomp is veel minder gevoelig dan de gascomponent.
  • Pelletketels zijn gevoelig voor de kosten van de ketel en in mindere mate de prijs van biomassa.
  • Warmtenetten zijn gevoelig voor veel parameters, met name de aansluitkosten van het net naar een gebouw. Andere invloedrijke parameters hebben betrekking op de dimensionering van het warmtenet; deze omvatten de kortingsfactor, warmtewisselaar en onderhoudskosten.
  • Bovendien zijn lage temperatuur warmteproducerende systemen (warmtepompen en LT-warmtenetten) erg gevoelig voor de kosten van isolatie en de vraag naar warm tapwater

De algemene lijst van gevoeligheden voor opties wordt verder be´nvloed door buurtkenmerken. Buurtdichtheid, gebouwleeftijd en energievraagprofiel (gedifferentieerd door verschillende woning- en utiliteitsprofielen) hebben de volgende effecten op gevoeligheden:

  • Buurten die overwegend vˇˇr 1990 zijn gebouwd, zijn gevoeliger voor de kosten van isolatie, terwijl recent gebouwde wijken hier bijna niet gevoelig voor zijn.
  • Minder dichtbevolkte buurten zijn gevoeliger voor de kosten van infrastructuur. Dit omvat CAPEX, OPEX van zowel gas- als elektriciteitsinfrastructuur, evenals kosten voor gasverwijdering en netverzwaring.
  • Utiliteitsgebouwen zijn gevoeliger voor de prijs van energie en de vraag naar warm leidingwater dan woongebouwen. Bijgevolg zijn ze ook gevoeliger voor isolatiekosten.

Capital Expenditures (CAPEX) staat voor alle kosten voor ontwikkeling, ontwerp of levering van niet-verbruikbare onderdelen van een product of systeem (investering)
Operating Expenditures (OPEX), staat voor alle terugkerende kosten voor een product, systeem of onderneming (exploitatie).

Met deze gevoeligheden kan de vraag ‘Wat zijn de gevoeligheden van de CEGOIA-factor en hun effecten?’ worden beantwoord. De gevoeligheidsanalyse-resultaten hebben verschillende implicaties met betrekking tot de mate van onzekerheid van verwarmingskosten, vertrouwen in CEGOIA-resultaten en het verwarmingstransitieproces.

Onzekerheidsmarges over de kosten van overgangsopties voor verwarming zijn moeilijk op een bruikbare manier toe te schrijven, aangezien de onzekerheid in CEGOIA-resultaten - en bij uitbreiding de verwarmingstransitie - erg groot is. Voor elk duurzaam verwarmingssysteem zijn er meerdere factoren die, afhankelijk van hoe ze zich in de komende decennia ontwikkelen, de totale systeemkosten aanzienlijk kunnen be´nvloeden. Collectieve systemen zoals warmtenetten hebben over het algemeen meer variabelen waarvoor ze gevoelig zijn dan individuele, waardoor de risicobeoordeling ingewikkelder is. Omgekeerd zijn individuele systemen gevoeliger voor individuele parameters zoals investeringskosten voor warmtepompen of groengasprijzen, wat de beoordeling eenvoudiger maakt. Toch is de onzekerheid die ten grondslag ligt aan de gevoeligheid van elke parameter - en bij uitbreiding elke optie van het verwarmingssysteem - fundamenteel anders.

Deze kennis kan worden gebruikt om de effecten te evalueren van ontwikkelingen en beleid op internationaal niveau waarop een duurzaam systeem de voorkeur dreigt te krijgen. Als Nederland zich bijvoorbeeld committeert aan een traject waarin het innovatie in de productie van groen gas sterk stimuleert, zullen hybride warmtepompen en condensatieketels zeer waarschijnlijk de uitkomsten van elke analyse gaan domineren. Als de organisatorische en financiŰle uitdagingen met betrekking tot de bouw van warmtenetten worden overwonnen en organisaties naar voren komen met de juiste knowhow om kritieke kosten te verlagen, kunnen deze de dominante oplossing worden. Dit wil zeggen dat tot op zekere hoogte het antwoord op de vraag welke optie(s) onze huizen in 2050 duurzaam zullen verwarmen, nog steeds zeer uitvoerbaar is door middel van beleidsvorming. Geen enkele beleidsrichting zal waarschijnlijk leiden tot een langere periode van grote onzekerheid over investeringen in duurzame verwarmingssystemen.

Het effect van de gevoeligheden die zijn gevonden met behulp van deze gevoeligheidsanalyse impliceert dat CEGOIA niet in staat is om met veel vertrouwen het absoluut goedkoopste systeem te identificeren. In plaats daarvan moet het worden gebruikt om een of meer opties te identificeren die waarschijnlijk niet de duurste opties zijn. Deze selectie moet vervolgens worden gebruikt in lokale omgevingen waarin unieke buurtomstandigheden worden overwogen om de systeemkosten met meer vertrouwen in te schatten en om de voorkeuren van de gebouweigenaar te gebruiken om te beslissen welk systeem moet worden toegepast.

Het CEGOIA model is dus geen wondermiddel dat de optimale weg om in een gemeente per buurt van het aardgas af te komen kan wijzen, maar biedt een basis van waaruit discussies kunnen worden gestart om keuzes binnen forse overblijvende onzekerheidsmarges te maken. CEGOIA en de meeste andere modellen die in de Nederlandse warmtetransitie worden gebruikt, claimen inderdaad specifiek aan dit doel te voldoen. Vaak gebruiken/misbruiken politici en andere beleidsmakers de modellen echter om de doelstellingen van strategieadvies en het aanbevelen van oplossingsrichtingen te realiseren. Dit gemengde gebruik is problematisch aangezien modeluitkomsten op onjuiste manieren kunnen worden ge´nterpreteerd en zelfs worden gebruikt voor (de verkeerde) doeleinden, welke de modelleur niet bedoelde.

Tweede fase Warmteplan Delft (prioriteren van buurten) afgerond
De tweede fase leverde als voorlopig resultaat een prioritering van buurten waarmee op basis van een aantal selectiecriteria als eerste aan de slag wordt gegaan. Let op; de selectiecriteria kunnen nog worden bijgesteld en er zal nog over logische verbanden zoals nabijgelegen soortgelijke buurten worden nagedacht. De ‘Weging van selectiecriteria’ lijst kent echter een belangrijke kolom. Dat is de rechterkolom, die opgeteld minstens op 20% moet uitkomen. Dat percentage is de minimale bijdrage die de gebouwde omgeving in iedere Nederlandse gemeente moet gaan bijdragen om in 2030 aan de landelijke CO2-uitstoot verminderingstaakstelling te voldoen. De lijst van 13 voorlopig geselecteerde buurten is dus nog niet in beton gegoten. Er kunnen nog buurten van de lijst worden afgehaald of andere buurten aan worden toegevoegd.

De voor de woonlasten en daarmee voor de kostenneutraliteit en betaalbaarheid werd pas op z’n vroegst in juni 2021 verwacht. Wel lijkt al duidelijk dat het bij blokverwarmingen simpelweg overschakelen van aardgas gestookte blokverwarmingsketels naar een (hoge temperatuur) warmtenet zonder dat de woningen minstens over een energielabel C beschikken op hogere eindgebruikerskosten uitdraait. Als de kosten zonder aardgas voor de eindgebruikers hoger uitvallen dan voorheen met aardgas zal dat ongetwijfeld gevolgen hebben voor het maatschappelijke verduurzamingsdraagvlak. De gemeente hoopt met behulp van criteria, waaraan door politici nog definitieve wegingsfactoren moeten worden toegekend, later in 2021 zo’n 10 ß 15 Delftse buurten te hebben geselecteerd waar vˇˇr 2030 met het nader bestuderen, plannen en uiteindelijk daadwerkelijk isoleren en aardgasvrij maken aan de slag wordt gegaan. De gemeente hoopt ook op invoering van nieuwe landelijke wet- en regelgeving die het voor gemeenten mogelijk maakt dwingend naar woningeigenaren die niet volgens plan aan het verduurzamen van hun woning(en) willen meedoen op te kunnen treden.

De gemeente wil voor het warmteplan het energiegebruik alleen baseren op woningkenmerken (woningtype, bouwjaar en gemiddelde huidige stand van zaken van het isolatieniveau en energiegebruik) en niet op praktijkdata en bekend actueel energieverbruik. De door woningcorporaties geleverde data bestaat slechts uit de aantallen woningen die zijn aangesloten op blokverwarming. Daarvoor worden lagere aansluitkosten gerekend. Maar uiteindelijk gaat het erom dat men nu helemaal niet zover wil gaan als veel klankbordgroepdeelnemers graag zouden zien. De voor eindgebruikers alles bepalende meer gedetailleerde berekeningen worden doorgeschoven naar de wijkuitvoeringsplannen na de vaststelling van het warmteplan. Dat blijkt ook uit uitspraken als; "Deze (model)berekeningen zijn uiteraard zo goed mogelijk, maar niet voldoende om een echte businesscase of haalbaarheidsstudie op te baseren. Dat is dan ook een volgende fase (het uitwerken van de daadwerkelijke warmte-optie(s) in wijkuitvoeringsplanen)." Er is alleen toegezegd dat er een verantwoording voor de gebruikte methode wordt opgenomen in de definitieve versie van het warmteplan. Dat roept de vragen op over de geldigheid van de uitkomsten: worden conclusies getrokken op basis van de (suboptimale) modelresultaten of spelen andere criteria en omstandigheden een veel grotere rol?

Onder druk zijn de eerste berekeningen over de gemiddelde eindgebruikerskosten door de gemeente op papier gezet. De gemiddelde eindgebruikerskosten (uw stookkosten dus) voor een gasgestookte hr-ketel liggen in de gemeente Delft in 2021 tussen de € 1.300 en € 2.900 per jaar. Met de aardgasvrije alternatieve stooktechnieken werd door CE Delft berekend dat dit tussen de € 1.600 en € 5.500 per jaar gaat worden. Gemiddeld liggen voor Delftse huishoudens de kosten voor aardgasvrij stoken dus (beduidend) hoger dan met de hr-ketel op aardgas. En dat staat haaks op het uitgangspunt van de woningcorporaties dat de warmtetransitie maandlastenneutraal voor hun bewoners moet zijn. De Delftse woningcorporaties hebben aangegeven dat ze de investeringen niet zonder meer kunnen doen. Ze willen subsidie van het rijk hebben en belastingvrijstelling. Ook zijn de corporaties bezorgd dat er onvoldoende draagvlak onder hun huurders zal zijn. Ingeval van DUWO is subsidie of belastingvermindering niet nodig. Onrendabel investeren in verduurzaming kan DUWO juist helpen om maatschappelijk iets nuttigs met de onbenutte investeringscapaciteit te gaan doen.

Tegenvallers voor het WarmtelinQ-project; wordt uitstel afstel?
Op 14 oktober 2021 besloot de hele gemeenteraad van Rotterdam de stekker uit de industriŰle restwarmte - oftewel de warm water - leverancier het Warmtebedrijf Rotterdam te trekken. Het Warmtebedrijf was een ambitieus project waarmee restwarmte uit de Rotterdamse haven gebruikt kon worden om huizen en bedrijven te verwarmen of in bijvoorbeeld Delft te gaan verwarmen. Al vanaf het begin kampte het project met problemen, tegenslagen en vertraging. Partijen die meededen kwamen beloften niet na of haakten af. Het Warmtebedrijf is altijd verlieslatend geweest, terwijl de gemeente Rotterdam er honderden miljoenen euro's in investeerde. Het voorstel om te stoppen met het Warmtebedrijf kwam van het Rotterdamse stadsbestuur, toen bleek dat meedoen aan een project van de Gasunie en Eneco niet lukte. De gemeente Rotterdam zou zelf veel meer geld moeten investeren, terwijl andere deelnemers aan het project dat niet zelf wilden doen of om extra subsidie jammerden. Het WarmtelinQ-project richting Delft en Den Haag en liefst ook nog Leiden was een strohalm waaraan het Warmtebedrijf Rotterdam zich vasthield. De Gasunie wilde de definitieve investeringsbeslissing voor WarmtelinQ voor 1 oktober 2021 nemen. Die beslissing werd op 6 oktober direct na het bekend worden van het voorstel van het Rotterdamse stadsbestuur uitgesteld. Zonder de zekerheid van de aanlevering van goedkoop gesubsidieerd warm water heeft het daarvoor aanleggen van een zwaar gesubsidieerde warm waterpijp naar onder andere Delft weinig zin. Ook kan zonder de WarmtelinQ warm waterpijp het Delftse Warmteplan terug naar de tekentafel, die dan hopelijk van gedegener onderzoek en het betrekken van burgers uitgaat.

Gemeenten en bestuurders in Delft en Zuid-Holland schenken te weinig aandacht aan alternatieven en aan de mogelijkheden alternatieven te combineren met WarmtelinQ, concludeerde de Algemene Rekenkamer. Een hoge temperatuur warmtenet zal in de praktijk veel duurzame andere warmtebronnen uitsluiten. Bovendien worden de gebruikte bronnen uiteindelijk door de leveranciers geselecteerd op volgorde van prijs. Een groot aanbod van goedkopere (zwaar gesubsidieerde) restwarmte uit de industrie, zou de ontwikkeling van andere duurzame warmtebronnen belemmeren. Eenmaal gecontracteerd is het later instromen in een  warmtenet lastig voor andere (soorten) warmtebronnen, zelfs als deze in de toekomst goedkoper worden. Volgens de Algemene Rekenkamer was de nieuwe rol voor het staatsbedrijf Gasunie in een rapport onvoldoende doordacht. Ook is onvoldoende onderzocht wat mogelijke alternatieven zijn en dus of WarmtelinQ echt de meest kostenefficiŰnte oplossing is. Overigens moet de Europese Unie in Brussel zich ook nog uitspreken over de vraag of hier sprake van geoorloofde staatssteun is.

Standaard voor vermindering energieverbruik voor corporatiewoningen in de maak
Woningcorporaties krijgen te maken met eisen voor de isolatie van woningen om zo de hoeveelheid energie die nodig is voor verwarming te verminderen. Dit is zo afgesproken in het Klimaatakkoord. De maximale netto warmtevraag wordt vastgesteld met een standaard voor verschillende woningen. Hoe beter een woning is ge´soleerd, hoe minder energie er nodig is voor de verwarming. De netto warmtevraag van huurwoningen  wordt op een bepaald maximum gesteld. Deze standaard (in kWh/m2/jaar)  geldt voor de woning als geheel. Het is nog niet bekend hoe hoog die standaard en streefwaarden worden.

Naar het zich in 2020/2021 laat aanzien gaan verhuurders in de toekomst worden verplicht via nog niet goed door de Rijksoverheid uitgewerkte Standaard en Streefwaarden het energieverbruik van hun woningen te verminderen. Een forse (isolatie en ventilatie) klus die in 2050 klaar moet zijn of zoveel eerder als de gemeente vastlegt in haar wijkgerichte aanpak. De belangenvereniging van woningcorporaties Aedes is bezorgd over zo’n verplichting rond het jaar 2025. 88% van de corporatiewoningen voldoen in 2021 niet aan het voorgestelde niveau in de Standaard. De maatregelen om afhankelijk van drie rekenmethodes tot drie varianten van de Standaard te komen lijken bij de meest warmteverlies en energieverbruik beperkende isolatievariant voor woningcorporaties op verlies uit te draaien. Voor een wijkgerichte aanpak moet eerst een warmteplan door de gemeente zijn vastgesteld. Een verhuurder kan de isolatie van de woning per bouwdeel aanpakken: vloerisolatie, dakisolatie, gevelisolatie, ramen, deuren, ventilatie, enzovoort. Per bouwdeel komt er  een zogenoemde streefwaarde. VariŰren met de streefwaarden is mogelijk, zolang het totale resultaat maar voldoet aan de standaard die voor de hele woning geldt.

Veel mogelijk met groot onderhoud oudere woningen
DUWO ERA flat Lisztstraat 1-198 Delft F energielabelRechts een van de twee ERA flats van woningcorporatie DUWO in Delft. Deze flat heeft voornamelijk het slechte energielabel F en werd gebouwd met het ERA-bouwsysteem uit de 60’er jaren. In de 60’er en 70’er jaren werden volop ERA flats in Nederlandse steden gebouwd. Destijds werd gekozen voor aardgasgestookte blokverwarming welke centraal werd bemeterd. Aardgas was in de tijd modern, goedkoop en niemand maakte zich druk over energieverbruik. De bewoners hebben daardoor zelf geen grip op hun stookkosten. Door de blokverwarmingsketel, die voor de gemiddelde bewoner in een gemiddeld gesitueerde woning passend warmte produceert hebben de huishoudens die dicht(er) bij de verwarmingsruimte zitten het vaak warm en krijgen bewoners die ver(der) van de blokverwarmingsruimte zitten hun woningen bij vriesweer onvoldoende warm. Bewoners die het daardoor te warm krijgen zetten noodgedwongen een raam open.

Deze DUWO ERA flats en hun blokverwarmingssystemen verkeren in 2021 tot langdurige ergernis van Vulcanus en hun bewonerscommissies nog grotendeels in de inmiddels hopeloos achterhaalde nieuwbouwstaat. De achterliggende oorzaak is plat. Het financieel sterke DUWO spreidt al jarenlang voortdurend liefdeloosheid en/of gebrek aan ambitie jegens haar voorraad twintigste-eeuwse niet-studentenwoningen tentoon.

Woonstad Rotterdam ERA flat Rotterdam A energielabel en aardsgasloosLinks een ERA flat van de financieel ronduit zwakke woningcorporatie Woonstad Rotterdam. Deze flat werd nagenoeg tegelijkertijd opgeleverd en was toen soortgelijk met DUWO’s ERA flats. In 2021 verschillen de flats echter enorm. Woonstad Rotterdam pleegde groot onderhoud en huurde daarvoor daarin gespecialiseerde mensen en aannemers in. De keukens en sanitaire ruimtes van de woningen werden daarbij compleet vernieuwd. Naast nieuwe gevelelementen met HR++ beglazing werden de kopgevels en daken hoogwaardig ge´soleerd. Het energielabel maakte daarbij een forse verbetersprong van label F naar label A. Die sprong betekent dat de energievraag na het isoleren pakweg 40% is van voor het isoleren. De gehele flat werd meteen gasloos gemaakt en alle bewoners koken nu elektrisch. De elektrische boilers en de collectieve blokverwarmingsketel zijn vervangen en iedere woning is nu individueel aangesloten op een warmtenet. Daardoor kunnen de bewoners hun verwarming en energieverbruik en daarmee hun stookkosten nu zelf be´nvloeden. Fijn voor het klimaat en milieu, maar ook voor de portemonnee van bewoners die niet constant volop hun huis warm stoken. Is wat Woonstad Rotterdam met haar acht ERA flats deed en doet uniek? Welnee, woningcorporatie Havensteder is financieel ook zwakker dan DUWO, maar pakt haar drie ERA flats inmiddels op dezelfde manier aan. Ook het fiancieel zwakker dan DUWO zijnde Vidomes pakte in Delft een ERA flat op een iets andere manier aan die het naar energielabel A bracht en Woonbron is bezig een ERA flat naarenergeielabell A+ te brengen. Na zo’n (redelijk circulaire) renovatieklus voldoen verouderde woningen weer aan de eisen van vandaag en morgen.

1 Pijnlijk is dat DUWO graag en geregeld de term ‘assetmanagement’ sinds 2014 in haar beleidsstukken vermeld. DUWO werd door Vulcanus de afgelopen jarenschriftelijk en mondeling gevraagd om informatie en onderliggende beslissingsondersteunende informatie over het onderwerp assetmanagement.  Assetmanagement is het management van woningtypes en complexen op tactisch niveau. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bepalen van tactieken zoals ‘doorexploiteren/afwachten’, ‘verkopen/afstoten’, ‘verduurzamen/verbeteren’ of ‘slopen/nieuwbouw’. Het kerndoel van assetmanagement is om de waarde van bezittingen zo optimaal mogelijk te laten renderen. Voor woningen betekent dit simpel gezegd zoveel mogelijk geld verdienen met de woningen die je hebt. Voor woningcorporaties geldt dat zij vooral een zo optimaal mogelijk maatschappelijk rendement moeten behalen. De gevraagde presentatie en data moet duidelijk maken wat DUWO precies met assetmanagement bedoelt en hoe DUWO haar analyses en afwegingen vormgeeft en keuzes maakt. Ondanks diverse toezeggingen aan Vulcanus kon DUWO de gevraagde informatie en onderliggende data nooit verzorgen en verschaffen. In 2020 en 2021  heeft DUWO laten weten de gevraagde informatie niet te willen verstrekken. Hierdoor kan een serieuze gedachtewisseling met DUWO hierover helaas niet worden aangegaan.

[Home] [Organisatie] [Bewonerscommissie] [Lidmaatschap] [Nieuws] [Bewonersenquŕte] [Woonverzekeringen] [Woonvisie politiek] [Huurbeleid 2021] [Huurtoeslag] [Gluurschadeclaim] [Puntensysteem] [Energielabel] [Energie besparen] [Onderhoud] [Beoordeling DUWO] [Topinkomens] [Commissarissen] [Prestatieafspraken] [Woonvisie Delft] [100 jaar jubileum] [Oproep ALV] [Warmteplan Delft] [Woningmarkt 1] [Woningmarkt 2] [Vulcanus Nieuws] [Huurdersonderhoud] [Servicekosten] [Adressen] [Klachten] [Publicaties] [Informatie links] [Vraag & antwoord] [Meld leegstand] [Contact] [Voorwaarden]